SPELLINGSREGELS D’s EN T’s
(Wanneer heeft een werkwoord nou op het einde een d of een t of erger nog een dt?)
Hoofdregels:
(tip: neem werkwoord waarvan je het zeker weet en vergelijk, bijvoorbeeld pakken)
Tegenwoordige tijd:
Stam + t bij 2e en 3e persoon enkelvoud:
Let op bij omdraaien vervalt t bij 2e pers:
Ik pak ik vind ik word pak ik vind ik word ik
Jij pakt jij vindt jij wordt pak jij vind jij word jij
Hij pakt hij vindt hij wordt pakt hij vindt hij wordt hij
Verleden tijd
Stam + de of te
(als stam eindigt op KoFSCHiP: dan toevoeging te, anders de)
Ik pakte ik brandde ik plofte
Jij pakte jij brandde jij plofte
Hij pakte hij brandde hij plofte
Voltooid verleden tijd
Stam+ d of t
(als stam eindigt op KoFSCHiP: dat toevoeging t, anders d)
Ik word gepakt ik ben geploft ik ben gevierendeeld
Let op: woorden als verbazen, beloven en verhuizen, hebben als stam een s op het eind, maar dat is eigenlijk een z en een b, dus geen kofschip, dus een d. Kun je ook horen: de verbaasde leraar.
NADERE UITLEG:
Tip: bij twijfel neme men een werkwoord waarbij dat te horen is (het werkwoord pakken), zodat de schade beperkt blijft:
Essentieel is de stam van een werkwoord en de plaats van
het werkwoord in de zin. Als je dat niet weet, kun je het schudden
Wat is de stam:
Van pakken is het pak
Van bestraten is het bestraat
Van delen is het deel
Van parkeren is het parkeer etc.
(met enig geluk hoor je het wel)
Wat is de plaats van het werkwoord in de zin:
Ik pak (dan is pak het gezegde en moet je pak gaan vervoegen)
Ik word gepakt (dan is word het gezegde en moet je dat gaan vervoegen. Gepakt is dan het voltooid deelwoord)
Woorden waar dit vaak fout gaat:
De auto verkeert in slechte staat (veel vaker komen we het voltooid werkwoord verkeerd tegen - dat is verkeerd – dus wordt “de auto verkeert” vaak niet herkent als tegenwoordige tijd en dus met een d geschreven).
Hij verhuist morgen. Idem dito. Wordt vaak verward met “hij is verhuisd”
Hij verwart mij met een ander. Idem dito. Verward komt ons veel bekender voor. Niet intrappen.
Hoe nu te vervoegen:
tegenwoordige tijd:
Men neme de stam: pak, en dan:
ik pak
jij pakt
hij pakt
(de regel is dus bij 2e en 3e persoon in de tegenwoordige tijd een t)
Wij pakken enzo
Pas dat toe op het moeilijkste ter wereld, de werkwoorden vinden en worden:
Men neme de stam: vind en word, en dan:
Ik vind ik word
Jij vindt jij wordt
Hij vindt hij wordt
(Belangrijke uitzondering bij omdraaien:
Vind ik? Word ik?
Vind jij? Word jij/
Vindt hij? Wordt hij
Dan is de t opeens weg bij de 2e persoon. En waarom, niemand die het weet, maar test maar weer bij het werkwoord pakken: pak ik, pak jij, pakt hij)
Dus de meest gevreesde dt komt alleen voor als de stam van een werkwoord op d eindigt en dan komt er bij jij en hij een t achter. Je moet dus wel weten wat de stam is.
Verleden tijd
Ook hier weer bij twijfel werkwoord nemen waarbij je het kunt horen: pakken
Men neme de stam: pak en dan:
Ik pakte
Jij pakte
Hij pakte
(dus na de stam volgt te. Maar dat is niet altijd zo, en dat hoor je gelijk, behalve net nieuwe buitenlanders. Het is ook wel met toevoeging de )
En wanneer is het nu te en wanneer de:
KOFSCHIP: eindigt de stam op een k, f, s, ch, p, dan volgt er te en anders de (dus ik plofte en ik deelde).
Deze regel geeft maar weinig problemen, omdat je het vaak kunt horen. Probleem is wel wat er nu moet gebeuren met werkwoorden waarvan de stam op een d of een t eindigt. Die krijgen dus ook in de verleden tijd de toevoeging de of te, wat resulteert in een dubbele d of t:
Ik barstte ik aanvaardde ik rustte
jij barstte jij aanvaardde jij rustte
hij barstte hij aanvaardde hij rustte
voltooid verleden tijd:
weer de stam zoeken en dan de KOFSCHIP regel toepassen:
ik werd gepakt (t, want stam eindigt op k uit kofschip en dan volgt er een t)
jij werd gepakt
hij werd gepakt
etc.
ik werd gedeeld
(de l staat niet in het kofschip dus een d, maar let op, hele volkstammen vinden dit kaal staan en menen ten onrechte dat er nog een t achter moet. En dat is een heel belangrijke tip: een voltooid deelwoord kan NOOIT op dt eindigen!)
En dan zijn er natuurlijk nog de onregelmatige werkwoorden: ik bid, ik bad en ik heb gebeden enzo. Dat maakt onze taal kennelijk wat ingewikkeld, maar bij die onregelmatige werkwoorden speelt die dt problematiek wat minder.
Probleem: Vinden: ik vind, ik vond, ik heb gevonden. Bij die woorden speelt het toevoegen van d’s of t’s niet.